‘Oké, oké, oké, schatje.
Maar je moet ons één ding plechtig beloven: dat jij ‘m elke dag uitlaat. Twee keer. Ook als het regent of sneeuwt. En ook als je veel huiswerk hebt. En ook als je eigenlijk een afspraak met je vriendinnen hebt. En dat je zijn drollen opruimt, met zo’n plastic zakje. Want het is jouw hond en niet de onze. Want mam en ik hebben het al druk zat en we zitten niet per se op een hond te wachten. Snap je dat?’
‘Ja pap.’
‘En beloof je dat?’
‘Jahaaa.’
Eindelijk had ze het voor elkaar. Toen ze eenmaal had begrepen dat een pony er niet in zat, had ze haar doel bijgesteld: een hondje. Voor haar elfde verjaardag was het nog niet gelukt, voor haar twaalfde ook nog niet, maar nu dus wel. Het was een labradoodle geworden en haar ouders had ze ervan kunnen overtuigen dat dat heel gemakkelijke, sociale en lieve honden waren. Wat ook wel een beetje klopte, maar niet helemaal.
En nu is ze achttien. En laat ze voor de zoveelste keer in haar leven Doedel uit, op het grasveld aan de Ubbo Emmiussingel, zij het pas na herhaaldelijk aandringen van haar vader (‘Jahaaa’). Verveeld kijkend op haar mobiel in haar rechterhand sleept ze met de andere de altijd en immer dartele Doedel mee aan zijn riem, die tot haar grote ergernis van elke boom en van elk paaltje en elke graspol het zijne wil weten. En tussendoor vraagt hij onophoudelijk haar aandacht en springt hij enthousiast tegen haar op. Tevergeefs. ‘Nog een paar maanden’, denkt ze, ‘dan ben ik het huis uit.’
Everhard Huizing






